a. Algemeen
Bij het opstellen van de begroting voor 2027 houden we rekening met het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV). De basis voor de begroting bestaat uit het bestaande beleid volgens de vastgestelde begroting 2026, aangevuld met de begrotingswijzigingen tot aan de raadsvergadering van 25 juni 2026.
b. Tijdpad bestuurlijke behandeling
Voor de bestuurlijke behandeling en besluitvorming hanteren we voorlopig het volgende schema:
|
Actie |
Datum |
|
Verzending |
24 september 2026 |
|
Begrotingsmarkt (beeldvorming) |
5 oktober 2026 |
|
Oordeelsvormende raad |
29 oktober 2026 |
|
Vaststellen begroting |
5 november 2026 |
|
Toezenden begroting aan Gedeputeerde Staten |
14 november 2026 |
c. Gemeentelijke belastingen
Bij het vaststellen van de gemeentelijke belastingen hanteren we de volgende uitgangspunten:
- De rioolheffing moet alle kosten volledig dekken. Dit is vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GWRP). Een actualisatie van het GWRP vindt plaats bij de begroting van 2027.
- De afvalstoffenheffing moet volledig kostendekkendheid zijn.
- De onroerendezaakbelasting (OZB) voor woningen en niet-woningen wordt elk jaar verhoogd met de inflatie. Hiervoor gebruiken we het prijsindexcijfer “Prijs overheidsconsumptie, netto materieel” (IMOC). Volgens de verwachting voor 2027, op basis van het CEP 2026, is dit 2,1%.
- De verblijfsbelasting wordt gebruikt als algemeen dekkingsmiddel. Het tarief blijft in 2027 € 1,25.
- Andere tarieven die niet door het Rijk worden vastgesteld, stijgen ook met de inflatie (IMOC), tenzij wetten of bestaand beleid iets anders bepalen. Voor 2027 wordt uitgegaan van een inflatie van 2,1%.
d. Prijsstijgingen levering goederen en diensten
Exploitatiebudgetten
- De bedragen voor de levering van goederen en diensten worden aangepast aan de prijsstijgingen. We gebruiken hiervoor het prijsindexcijfer voor overheidsconsumptie (IMOC) uit de meicirculaire 2026. Voor 2027 wordt uitgegaan van een stijging van 2,1%.
- Voor de jaren 2028 tot en met 2030 rekenen we zonder prijsstijging ten opzichte van 2027. Dit komt doordat we de meerjarenraming opstellen in constante prijzen.
Investeringskredieten
- (Resterende) investeringskredieten en projecten groter dan € 1.000.000, evenals kredieten voor grondexploitatie, worden jaarlijks aangepast aan de prijsontwikkeling.
- Hiervoor gebruiken we het indexcijfer Prijs bruto overheidsinvesteringen (IBOI) uit de meicirculaire. Voor 2027 wordt een stijging van 2,3% verwacht.
- In sommige gevallen gebruiken we een andere, beter passende index of zijn er specifieke afspraken gemaakt. Zo hanteren we bij grondexploitatie speciale indexen van het Bureau Documentatie Bouwwezen (BDB).
e. Personele kosten
Formatie
- We gaan uit van het aantal medewerkers dat is opgenomen in de formatiebegroting.
- Eventuele besluiten die later zijn genomen en van invloed zijn op de formatie, nemen we hierin mee.
Loonkosten
- De formatiebegroting is gebaseerd op de hoogste loonschaal die hoort bij het functieniveau, volgens de meest recente cao.
-
De huidige cao loopt tot en met 31 maart 2027. Voor 2027 verwachten we een stijging van de loonkosten van 4,1%, op basis van het indexcijfer voor beloning van werknemers uit het CEP 2026. Het definitieve percentage volgt in de meicirculaire 2026.
Inhuur derden
- Elk jaar blijft een klein deel van het personeelsbudget onbenut, bijvoorbeeld door openstaande vacatures of wisselingen van personeel.
- Van dit bedrag wordt 2% van de loonsom ingezet voor de inhuur van extern personeel.
- Dit komt bovenop het bestaande budget voor vervanging bij ziekte en tijdelijke personeelstekorten (ook 2% van de loonsom).
- In totaal is daarmee 4% van de loonsom beschikbaar voor de inhuur van extern personeel.
Opleidingskosten
- Voor opleidingen reserveren we 1,5% van de totale loonsom.
f. Bijdragen aan samenwerkingsverbanden en subsidies
De bijdrage aan gemeenschappelijke regelingen en gesubsidieerde instellingen is gebaseerd op hun begroting voor 2027.
De (budget)subsidies worden aangepast volgens de uitgangspunten van de subsidieverordening en geldt dat deze subsidies worden geïndexeerd op basis van een combinatie van twee prijsindexen:
- Prijsindex voor materiële overheidskosten (1/3 deel);
- Prijsindex voor personeelskosten (2/3 deel).
Voor 2027 verwachten we dat de budgetsubsidies met 3,43% worden verhoogd. Dit is een voorlopige inschatting. Het definitieve percentage wordt vastgesteld na publicatie van de meicirculaire 2026 en verwerkt in de Begroting 2027.
g. Wetswijzigingen
Als er nieuwe wetten of beleidswijzigingen van hogere overheden zijn, schatten we de bijbehorende kosten en inkomsten zo goed mogelijk in, ook als er nog geen eerdere cijfers beschikbaar zijn.
h. Autonome ontwikkelingen
Het gaat hierbij vooral om veranderingen in aantallen waar de gemeente zelf, binnen het huidige beleid, geen invloed op heeft. Deze kunnen ook het gevolg zijn van eerder gemaakte afspraken, zoals contracten of samenwerkingen.
Voorbeelden zijn het aantal inwoners en woningen, het aantal mensen met een bijstandsuitkering, lopende contracten, het aantal bouwvergunningen en het aantal huwelijken. Hoewel de aantallen per 1 januari 2027 nog niet vaststaan, is het belangrijk om hier een zo realistisch mogelijke inschatting van te maken.
Op basis van inschatting wordt uitgegaan van de volgende gegevens:
| Aantal inwoners | |
| 1-1-2026 | 37.004 |
| 1-1-2027 | 37.389 |
| Aantal woonruimten | |
| 1-1-2026 | 16.530 |
| 1-1-2027 | 16.702 |

Voor 2027 en de jaren daarna houden we de aantallen gelijk. Dit doen we ook bij de berekening van de Algemene Uitkering uit het Gemeentefonds. Het uitgangspunt is dat een stijging van het aantal inwoners en woningen leidt tot hogere kosten, maar dat deze worden opgevangen door een hogere Algemene Uitkering. Als het aantal inwoners of woningen daalt, werkt dit andersom.
i. Kapitaallasten (rente en afschrijving)
Staat van activa
- In de staat van activa staan alle investeringen die zijn goedgekeurd tot en met de raadsvergadering van 25 juni 2026. Voor vervangingsinvesteringen in de periode 2027–2030 gaan we uit van de verwachte levensduur van de investering. Daarbij kijken we ook of vervanging technisch echt nodig is;
- De kapitaallasten van een vervangingsinvestering worden volledig opgenomen in het jaar na ingebruikname. Een investering die in 2027 in gebruik wordt genomen, komt dus terug in de begroting van 2028;
-
Bij de berekening van de kapitaallasten voor 2027 gaan we ervan uit dat alle investeringen op 1 januari 2027 helemaal zijn afgerond en betaald. Daarom nemen we in de begroting 2027 de volledige kapitaallasten op.
Nieuwe investeringen
- Nieuwe investeringen voor 2027–2030 maken onderdeel uit van de besluitvorming. Als een investering wordt goedgekeurd, nemen we in de begroting een inschatting op van de kapitaallasten en eventuele extra exploitatiekosten;
-
Ook hier geldt dat de kapitaallasten ingaan in het jaar na ingebruikname. Een investering die in 2027 start, wordt dus financieel verwerkt in de begroting van 2028.
j. Rentepercentages
Hierna volgt de werkwijze die we hanteren voor de rentepercentages.
|
Onderwerp (kaderstellend) bestuurlijk besluit |
Werkwijze gemeente Montferland |
| I. Wordt rente aan de eigen (interne) financieringsmiddelen toegevoegd? |
Op grond van het BBV mag aan voorzieningen geen rente worden toegevoegd. Deze lijn wordt door de BBV ook geadviseerd voor de reserves.
|
|
II. Wordt een omslagrente berekend om de rente aan producten toe te rekenen? |
Ja, de verwachte omslagrente is 1,5%.
|
|
III. Welk percentage wordt gekozen (marktrente, gemiddelde vermogenskostenvoet, gemiddelde rentevoet over geleend geld of gedifferentieerde rentepercentages?) |
Nieuwe activa |
|
IV. Wordt een omslagrente berekend om de rente aan grondexploitaties toe te rekenen? |
Ja, de verwachte omslagrente is 1,5%. |
Financieringslasten
We gaan uit van de volgende percentages bij de berekening van de rentelasten:
|
Soort Rente |
Percentage |
Toelichting |
|
Rente over het financieringstekort tot aan de kasgeldlimiet |
3 |
Tekort zal worden gefinancierd met korte financieringsmiddelen (m.n. rekening-courant; daggeld; kasgeld) |
|
Rente op te nemen vaste geldlening |
3 |
Gelet op de ontwikkelingen op de kapitaalmarkt en de hierbij fluctuerende percentages voor langlopende geldleningen hanteren we hetzelfde percentage van 3 die we ook voor de nieuwe investeringen berekenen. |
|
Rendement over uitgezette |
1,5 |
|
Een verwacht tekort aan financiering vangen we eerst op met kortlopende leningen, tot aan de kasgeldlimiet. Het resterende deel dekken we met een langlopende lening, waarbij we rekening houden met de bijbehorende rentelasten.
k. Algemene uitkering
De raming van de Algemene uitkering uit het Gemeentefonds is gebaseerd op de meicirculaire 2026 van het ministerie van BZK. Daarbij houden we rekening met de eerder genoemde aantal inwoners en woningen. Voor de jaren 2028 tot en met 2030 rekenen we met constante prijzen, gebaseerd op het loon- en prijsniveau van 2027.
l. Raming Onvoorzien
Volgens het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) moet er een bedrag worden opgenomen voor onvoorziene uitgaven. De hoogte hiervan is niet wettelijk vastgelegd. In deze begroting is hiervoor € 10.000 opgenomen op de kostenplaats Onvoorzien.
m. Overhead
De directe loonkosten worden verdeeld op basis van ervaringscijfers. De overheadkosten worden niet doorbelast aan producten, maar apart verantwoord onder kosten overhead, zoals voorgeschreven door het BBV.
Er zijn twee uitzonderingen:
- Bij lokale heffingen en leges mag een deel van de overhead kosten fictief worden meegerekend (extracomptabel, dus buiten de boekhouding om);
- Bij grondexploitatie, investeringen en projecten met subsidie of bijdragen van derden mag overhead wel in de boekhouding (intracomptabel) worden toegerekend.
In de Financiële Verordening 2025 is vastgelegd dat de overheadkosten volledig worden verdeeld over lokale heffingen, grondexploitatie en investeringen. Dit gebeurt naar verhouding van de personeelskosten en kosten voor inhuur per taakveld ten opzichte van het totaal.